Algemene motoriek

Algemene motoriek

De meeste kinderen ontwikkelen zich op een natuurlijke wijze, op hun eigen manier en in eigen tempo. Door te bewegen en te spelen ontwikkelen hun zintuigen en motoriek. Sommige kinderen hebben meer tijd nodig om hun ontwikkeling aan te kunnen sluiten bij de verwachting van de maatschappij/school.

Er wordt gewerkt aan de 3 basisvaardigheden in de ontwikkeling van het kind. Samen worden ze de algemene motoriek genoemd.

Grove motoriek: dit zijn bewegingen waarbij het hele lichaam betrokken is, bv stappen, lopen, springen,…. Een goede grove motoriek vormt de basis voor alle complexere bewegingen( zoals fietsen, zwemmen,…) zodat een kind deze activiteiten op een ontspannen manier kan uitvoeren.

Fijne motoriek: dit is de vaardigheid van de vingers en de handen bij opdrachten zoals kleine voorwerpen opnemen, knippen, parels rijgen, insteeknagels, openen en sluiten van knopen en ritsen,… Een goede fijne motoriek vormt de basis voor het schrijven.

Dynamisch bewegen: dit is een vlotte en vloeiende beweging met totale controle over het lichaam. Een juiste coördinatie tussen alle ledematen en spiergroepen zorgt hiervoor. Niet dynamisch bewegen uit zich in stuntelig gedrag, vaak vallen, houterigheid, overdreven energiegebruik, spierspanningen, problemen met fietsen, zwemmen,…

 

Begeleiding

In de eerste sessie laat ik je kind een aantal eenvoudige testjes doen. Daarna beoordeel ik welke hulp je kind nodig heeft en hoe we dat doelgericht aanpakken. Voor zowel de grove als de fijne motoriek worden eveneens interventies uit reflexintegratie ingezet en wordt er gekeken naar een eventuele neurologische ontwikkelingsvertraging.

 

Testjes kunnen inzicht geven in o.a.

 

Kennis over het eigen lichaam: het lichaamsidee geeft weer hoe het kind denkt over zijn eigen lichamelijkheid en motorisch kunnen. Het lichaamsbesef is de informatie die het kind heeft over zijn eigen lichaam: grootte, positie ven de ledematen t.o.v. elkaar, uitgevoerde bewegingen, nadoen van houdingen, lichaamsdelen benoemen, kindje kunnen tekenen,…
Lichaamsbesef is zeer belangrijk voor het leren van motorische vaardigheden. In het lichaamsplan liggen al de geautomatiseerde bewegingen vast, welke verworven worden door langdurige herhaling.

Lateralisatie: dit is verbonden met het begrip hersendominantie en handvoorkeur. Onze hersenen zijn opgebouwd uit twee hersenhelften, met elk zijn specifieke functies. De meeste opdrachten vraagt echter een goede samenwerking van beide hersenhelften, wat resulteert in goede motorische coördinatiepatronen. De lateralisatie en de keuze van de schrijfhand zijn belangrijk voor de ontwikkeling van tijd -en ruimtebeleving, die op hun beurt invloed hebben op het lezen en het schrijven.

Ordenen in de ruimte: om inzicht te krijgen in de ruimte, moet de ruimte eerst ‘beleefd’ worden. Door zintuiglijke indrukken en bewegingen moet de ruimte worden begrepen, maar ook moet de ruimte geconstrueerd worden. Concreet oefenen we hier het inzicht in het tweedimensionale plan zoals het puzzelen, insteekmozaïek, vlakke constructies naleggen, raamfiguren. Bij alle oefeningen in ruimtelijk inzicht en oriëntatie in de ruimte moet het kind zoveel mogelijk verwoorden of zeggen wat het doet. Ruimtelijke begrippen zoals boven, onder, naast,… worden op een speelse manier geoefend.

Ordenen in de tijd: dit wil zeggen dat een kind inzicht moet leren krijgen in een volgorde en zich ervan bewust is dat de dingen zich op een bepaald tempo kunnen voordoen. Oefeningen hierop zijn bv ritmische oefeningen, stap- en klapoefeningen, bewegingsopdrachten na elkaar kunnen uitvoeren, twee activiteiten tegelijk kunnen uitvoeren, een afgelegde weg kunnen nastappen of natekenen,…

Faalangst, laag zelfbeeld: angst om aan iets te beginnen, vaak zeggen ‘ik kan dat niet’

• Visuomotoriek.

Specialisaties

 

LeerZorgGroei