Motoriek

Sensomotoriek

Beweging is de basis van alles waaruit een kind gaat leren. Al in de zwangerschap beweegt het kind en zodra het is geboren doet het middels bewegen ervaring op over zichzelf en de wereld om zich heen. Dit ervaren en bewegen noemen we de sensomotorische ontwikkeling. Vooral in het eerste levensjaren van een kind wordt er veel ervaring opgedaan in dit ontwikkelingsgebied.

Sensomotoriek is een samenspel van sensoriek en motoriek. Sensoriek wil zeggen: het opdoen van prikkels via de zintuigen horen, ruiken, voelen, proeven en zien. Motoriek wil zeggen: het vermogen te kunnen bewegen. Deze twee vaardigheden samen zorgen er bijvoorbeeld voor dat een kind een bal kan vangen: ze zien de bal aankomen, steken hun armen uit en vangen de bal. De sensomotorische ontwikkeling is erg belangrijk voor de totale ontwikkeling van kinderen. Door (senso)motoriek leren kinderen hun eigen lichaam kennen en via hun eigen lichaam de wereld om hen heen. Een verstoring kan problemen in de taal- schrijf- reken- en sociaal emotionele ontwikkeling geven.

Het belang van zintuigen

Iedereen weet dat een jong kind vaak dingen in de mond stopt. Ze zijn dan onbewust bezig de kenmerken van een voorwerp te verkennen op warmte/kou, hard/zacht, glad/ruw, etc. Ook de handen en het zicht gaan meedoen en die informatie wordt dan gekoppeld aan de eerdere ervaringen. Zo leert een kind zich voorstellen hoe iets voelt, proeft, ruikt en hoe het klinkt als het bijvoorbeeld iets laat vallen.

LZG geeft een babycursus voor ouders en bewegingslessen voor kinderen.

 

Algemene motoriek

De remedial teaching richt zich -naast de didactische vaardigheden- op de ontwikkeling van het kind in zijn geheel. Er wordt gewerkt rond 3 basisvaardigheden in de ontwikkeling van het kind, samen algemene motoriek genoemd.

Grove motoriek: dit zijn bewegingen waarbij het hele lichaam betrokken is, bv stappen, lopen, springen,…. Een goede grove motoriek vormt de basis voor alle complexere bewegingen( zoals fietsen, zwemmen,…) zodat een kind deze activiteiten op een ontspannen manier kan uitvoeren.

Fijne motoriek: dit is de vaardigheid van de vingers en de handen bij opdrachten zoals kleine voorwerpen opnemen, knippen, parels rijgen, insteeknagels, openen en sluiten van knopen en ritsen,… Een goede fijne motoriek vormt de basis voor het schrijven.

Dynamisch bewegen: dit is een vlotte en vloeiende beweging met totale controle over het lichaam. Een juiste coördinatie tussen alle ledematen en spiergroepen zorgt hiervoor. Niet dynamisch bewegen uit zich in stuntelig gedrag, vaak vallen, houterigheid, overdreven energiegebruik, spierspanningen, problemen met fietsen, zwemmen,…

 

Vaardigheden die eveneens worden begeleid zijn

Het behandelen van fijn -en/of grootmotorische vaardigheden maar ook vaardigheden als schrijfmotoriek, lateralisatie, ruimtelijk-visuele vaardigheden, ruimtelijke oriëntatie en structuratie, het gestructureerd leren werken, het geheugen, aandacht en concentratie, werkhouding, faalangst,… en meer vallen onder psychomotorische begeleiding.

Kennis over het eigen lichaam: het lichaamsidee geeft weer hoe het kind denkt over zijn eigen lichamelijkheid en motorisch kunnen. Het lichaamsbesef is de informatie die het kind heeft over zijn eigen lichaam: grootte, positie ven de ledematen t.o.v. elkaar, uitgevoerde bewegingen, nadoen van houdingen, lichaamsdelen benoemen, kindje kunnen tekenen,…
Lichaamsbesef is zeer belangrijk voor het leren van motorische vaardigheden. In het lichaamsplan liggen al de geautomatiseerde bewegingen vast, welke verworven worden door langdurige herhaling.

Schrijfvaardigheid en Visuomotoriek.

Lateralisatie: dit is verbonden met het begrip hersendominantie en handvoorkeur. Onze hersenen zijn opgebouwd uit twee hersenhelften, met elk zijn specifieke functies. De meeste opdrachten vraagt echter een goede samenwerking van beide hersenhelften, wat resulteert in goede motorische coördinatiepatronen. De lateralisatie en de keuze van de schrijfhand zijn belangrijk voor de ontwikkeling van tijd -en ruimtebeleving, die op hun beurt invloed hebben op het lezen en het schrijven.

Ordenen in de ruimte: om inzicht te krijgen in de ruimte, moet de ruimte eerst ‘beleefd’ worden. Door zintuiglijke indrukken en bewegingen moet de ruimte worden begrepen, maar ook moet de ruimte geconstrueerd worden. Concreet oefenen we hier het inzicht in het tweedimensionale plan zoals het puzzelen, insteekmozaïek, vlakke constructies naleggen, raamfiguren. Bij alle oefeningen in ruimtelijk inzicht en oriëntatie in de ruimte moet het kind zoveel mogelijk verwoorden of zeggen wat het doet. Ruimtelijke begrippen zoals boven, onder, naast,… worden op een speelse manier geoefend.

Ordenen in de tijd: dit wil zeggen dat een kind inzicht moet leren krijgen in een volgorde en zich ervan bewust is dat de dingen zich op een bepaald tempo kunnen voordoen. Oefeningen hierop zijn bv ritmische oefeningen, stap- en klapoefeningen, bewegingsopdrachten na elkaar kunnen uitvoeren, twee activiteiten tegelijk kunnen uitvoeren, een afgelegde weg kunnen nastappen of natekenen,…

Tijdruimtelijk ordenen: hiermee bedoelen we driedimensionale constructies. We leren constructies stap voor stap nabouwen van een plan. Tijd en ruimte gaan samen namelijk wat moet ik eerst doen? En daarna? We gebruiken hiervoor speelgoed zoals duplo, lego en ander oefenmateriaal.

Getalbegrip en rekentaal: het kind leert geleidelijk aan abstract denken en kan de vroege rekenkundige begrippen als meer, minder, evenveel, tussen, voor, achter,… begrijpen. Indien het kind het hier nog moeilijk mee heeft, dan oefenen we deze op een speelse manier in.

Organisatie, werkplanning, aandacht en concentratie: oefenen van de taakspanning en het werkgeheugen, zelfstandig werken, de details in het geheel leren zien, de belangrijkste punten uit een tekst of opdracht halen,…

Faalangst, laag zelfbeeld: angst om aan iets te beginnen, vaak zeggen ‘ik kan dat niet’

De meeste kinderen ontwikkelen zich op een natuurlijke wijze, op hun eigen manier en in eigen tempo. Door te bewegen en te spelen ontwikkelen hun zintuigen en motoriek. Bij sommige kinderen is er echter sprake van een vertraging in de ontwikkeling.

 

Begeleiding

In de eerste sessie laat ik je kind een aantal eenvoudige testjes doen. Daarna beoordeel ik welke hulp je kind nodig heeft en hoe we dat doelgericht aanpakken. Voor zowel de grove als de fijne motoriek worden eveneens interventies uit reflexintegratie ingezet en wordt er gekeken naar een eventuele neurologische ontwikkelingsvertraging. Bij problemen met de senso/psychomotoriek kan naast de hulp vanuit psychomotorisch remedial teaching samengewerkt worden met een fysiotherapeut. De begeleiding kan individueel maar er kan ook een groepstraining worden gevolgd.

 

Specialisaties

 

LZG kan observeren/signaleren

  • BOT-2 motorische test voor de leeftijdsgroep van 4-21 jaar
  • KTK-NL beoordeling algemene lichaam coördinatie: kinderen van 5 t/m 12 jaar
  • TGMD-2 voor beoordeling grove motoriek: kinderen van 3 tot 11 jaar